Implementing Transit Oriented Development [iTOD]

Coördinator: Prof. dr. ir. L. Bertolini, Universiteit van Amsterdam
2012-2014
(i.s.m. RUN en TUD)

Hoe zijn de barrières te overwinnen die in de weg staan van de integratie van duurzame stedelijke ontwikkeling en vervoerknooppunten? De Amsterdamse metropoolregio stond in dit project centraal. De onderzoekers richtten zich op actoren en instituties, financieringsvraagstukken en de rol van kennis en informatie.

English
  • Read more about the projects on the right (in English)
  • The results in English in one page (PDF)

Resultaten

iTOD beoogde inzichten te genereren die een doorbraak in de implementatie van Transit Oriented Development (TOD) in Nederland kunnen forceren. In het bijzonder streefden de onderzoekers ernaar te identificeren: kritische succesfactoren van TOD implementatie; financieringsinstrumenten voor TOD; TOD-ontwerpmodellen passend bij de Nederlandse context; en effectieve manieren om kennis tussen verschillende nationale contexten en tussen wetenschap en praktijk over te dragen.

Door middel van een meta-analyse van 11 internationale case studies hebben de onderzoekers 16 kritische factoren geïdentificeerd die tot de succesvolle implementatie van TOD in stedelijke regio’s hebben geleid. Deze kunnen onderverdeeld worden in drie groepen: planologische en beleidsmaatregelen, relaties tussen actoren, en implementatie mechanismes. Met gebruik van deze factoren, hebben ze vervolgens een diepgaandere Rough Set Analysis (RSA) uitgevoerd. Deze resulteerde in een set van “regels” (oftewel specifieke combinaties van factoren). Het vaakst genoemd zijn politieke stabiliteit op nationaal niveau, relaties tussen actoren in de regio, een regionale ruimte en mobiliteit orgaan, interdisciplinaire implementatie teams, en publieke participatie. Beleidsmakers kunnen deze 16 factoren en regels gebruiken om sterktes en zwaktes van TOD in hun stedelijke regio’s te evalueren en toekomstige inspanningen toe te spitsen.

Om de randvoorwaarden van instrumenten voor het afvangen van de meerwaarde van TOD te identificeren, en zo de financiële haalbaarheid van knooppuntontwikkeling te vergroten, is eerst een wereldwijde  inventarisatie gemaakt van financiële, juridische en samenwerkingsinstrumenten. Enkele van deze zijn vervolgens dieper onderzocht door speltheoretisch onderzoek, namelijk: stedelijke herverkavaling, bedrijfsinvesteringszone, verhandelbare ontwikkelrechten, en Tax Increment Financiering. Praktijkexperts uit de vastgoed- en locatieontwikkeling, van zowel publieke als private zijde, hebben deze instrumenten getest in fictieve onderhandelingen met telkens wisselende randvoorwaarden. Concluderend kan gesteld worden dat de onderzochte instrumenten toepasbaar zijn in de Nederlandse praktijk, maar dat dit een aanpak vergt waarin overheid, ontwikkelaars, eigenaren en gebruikers telkens andere rollen krijgen. De resultaten wijzen verder uit dat communicatie en de beschikbaarheid van informatie belangrijk zijn bij het onderhandelen over instrumenten. Publieke en private partijen kunnen tot overeenkomsten komen die meer in het algemeen belang zijn wanneer ze informatie delen en communiceren over hun intenties. Echter, informatie en communicatie in onderhandelingen leidt niet tot meer onderhandelingen, omdat het vinden van een overeenkomst ingewikkelder wordt. 

Met betrekking tot het ontwerp van TOD hebben interactieve oefeningen met stakeholders aangetoond dat tot een “ideale” Nederlands TOD-model een buurt behoort die visueel aantrekkelijk is, die middelhoge gebouwen bevat, een gemiddelde dichtheid heeft en gemengde functies heeft; met hoogwaardig vormgegeven openbare ruimtes, met veel water en groen; waar de verschillende onderdelen goed onderling verbonden zijn; en die op een multi-modale vervoersknoop gefocust is. Dit ontwerpideaal weerspiegelt in meerdere opzichten zijn “universele” tegenhangers uit de internationale literatuur en praktijk. Er zijn echter ook context- en cultuurspecifieke aspecten. Terwijl sommige verschillen subtiel zijn (zoals de voorkeur voor fietsen boven andere vervoersmodaliteiten) zijn andere radicaler (zoals het onder de grond brengen van infrastructuur in drukke gebieden) en vergen deze aanzienlijke investeringen.

Tot slot, gebaseerd op interviews en enquêtes met Nederlandse en buitenlandse praktijkmensen, hebben de onderzoekers gevonden dat kennisoverdracht vaak sterk afhankelijk is van individuen en dat het proces dikwijls ongecoördineerd en gefragmenteerd is. Beleidsideeën uit andere contexten of de wetenschap zorgen vaak voor inspiratie van beleidsmakers, maar leiden zelden tot concrete veranderingen. Desalniettemin, het zich verdiepen in praktijken elders en het daarbij betrekken van wetenschappelijke inzichten, helpt professionals, politici, en wetenschappers de “thuissituatie” beter te begrijpen en te kijken naar de eigen praktijken en kennis in een andere licht of met een kritischer oog. Door middel van verscheidene workshops hebben de onderzoekers kunnen aantonen dat dit op z’n beurt kan helpen belangrijke zwakheden in bestaande benaderingen bloot te leggen en ideeën te genereren om die te verhelpen.



Meer informatie




 
DEEL: 

Project 1

Project 2

Project 3